|
A
|
Amitose |
directe
celdeling, kern groeit snel en snoert zich zo sterk in dat twee
delen ontstaan. Deze afzonderlijke cellen zijn identiek aan de
bronvel. Komt voor bij eencellige wezens bijv. bacteriën en witte
bloedlichaampjes. |
|
A.T.P |
adenosine
tri-phosfaat. |
|
A.D.P. |
adenosine
di-phosfaat. |
|
A.M.P. |
adenosine
mono-phosfaat. |
C
|
Callogeen
en
elastine |
Eiwitten,
deze zitten in het celtussenstof/intercellulaire stof. |
|
Cel |
de
kleinst bouwsteen van het lichaam. Heeft ieder levend wezen. |
|
Celfysologie |
omschrijving
van taken en functies van de cel. bijv.
-vermogen
tot stofwisseling (komt energie vrij )
-vermogen
tot voortplanting door de celdeling. bv. 1 cel-2-4-8 cellen enz.
-vermogen
tot beweging bv. zaadcel, spiercel, witte bloedlichaampjes.
-vermogen
tot specialisatie bv. het ontstaan van diverse weefsels. |
|
Celmembraan |
celwand,
heeft 2 dunne wanden van vet en eiwitmoleculen, regelt de opwekking
van de energie, aanvoer van brandstof en zuurstof, en afvoer van
afvalstoffen. |
|
Celorganen
of
celorganellen |
hierin
wordt het werk gedaan waarvan de opdracht komt vanuit de kern;
centriolen, mitochondriën, lysosomen, ribosomen, colgi apparaat,
endoplasmatisch reticulum |
|
Celtussenstof |
intercellulaire
stof, bestaat uit eiwitten ( callogeen en elastine ) en mineralen
(calcium en fosfor) belangrijk bij weefselvorming |
|
Centriolen |
poollichaampjes
in de cel noord/zuid. Deze nemen de leiding bij de celdeling. |
|
Centromeer |
middelpunt
van de dubbele chromosomen. |
|
Centrosomen |
2
centriolen noord en zuid voor de celdeling. |
|
Chromatiden |
chromosomen
helft. (trekdraden trekken de chromosomen, langs de glijdraden, naar
de pool/centriool naar één kant van de cel. |
|
Chromatine |
kleurstof. |
|
Chromatinekorrel |
kleurstofkorrels
van de chromosomen, 2 van deze korrels zijn groter dan de rest en
zijn wel zichtbaar. |
|
Chromosomen |
eiwitketens
en dragers van alle erfelijke eigenschappen (niet zichtbaar) Niet
het chromosoom zelf bepaald de erfelijke factor, maar de volgorde
waarin de stikstofbasen liggen. |
|
Cytoplasma
of
celplasma |
waterachtige
vloeistof die tussen de celmembraan en kernmembraan in zit, hierin
zitten voedingsstoffen, celorganen, celorganellen, en helpen met het
maken van stofwisseling. |
D
|
D.N.A. |
desoxirobose-nucleïd-acid.
Chemische naam voor chromosomen. |
|
Dendrieten
en
neurieten |
lange
of korte uitlopers van de zenuwweefsels, bv. om de zenuwprikkels op
te vangen of door te geven |
|
Dé-spiralisatie |
De
chromosoomspiralen dé-spiraliseren na een van de drie de deling. |
|
Diffusie |
transport
van vetoplosbare vitamines door beide laagjes vetmoleculen van de
celmembraan. |
|
Diploïd
en
Haploïd |
Haploïd
alleenstaande cel aangeduid met n
Diploïd
chromosomenpaar aangeduid met 2n. |
E
|
Endocytose
/
fagocytose |
vaste
stoffen die in de holtes liggen van het cytoplasma. |
|
Endocytose
/
pinocytose |
vloeistoffen
die in de holtes liggen van het cytoplasma. |
|
Endocytose
verschijnsel |
celmembraan
beweegt en kleine vaste of vloeistofdeeltjes omsluiten zich, en
wordt vervolgens naar binnen gedrukt, om als kleine holte het
cytoplasma in te stuwen. |
|
Endo
plasmatisch
reticulum |
afweer
van ziektekiemen en bacteriën; netwerk van membraanstructuren in
cytoplasma.
EPR
(ruw ) = met ribosomen. Hier worden eiwitmoleculen samen gesteld.
EPR
(glad) = zonder ribosomen. Buisvormige vacuolen ( blaasjes) vormt
vetten en vetachtige stoffen. |
|
Epitheel
Klieren |
Als
de cellen van het dekepitheel in het onderliggende bindweefsel
ingroeien spreken we van kierepitheel. Het basaalmembraan blijft om
de kliercel liggen en is van belang bij de secretie (het afgeven van
(hormoon) stoffen ) die de klieren maken. |
|
Epitheel
weefsel |
Is
een afdek/afwerk weefsel. Onder
te verdelen in;
-----dekepitheel
dient als afdeklaag (huid) voor alles wat met de buitenlucht in
aanraking komt.
Dus ook de binnenkant van de ademhaligsorganen en spijsvertering.
----
Zijn ronde cellen en hechten zich aan een vlies (basaalmembraan)
Beschermen
----
op deze manier `t bindweefsel voor invloeden van buitenaf. Longen,
darmen en
----
bloedvaten zijn (van binnen) bekleed met dit weefsel. |
|
Equatoriale
vlak |
horizontale
onzichtbare lijn op of onder de 78 chromosomen.
Scheidingslijn
bij 39 alleenstaande chromosomen bij geslachtscel. |
|
Exocytose |
holtes
of blaasjes, kunnen met de celmembraan samensmelten waarbij stoffen
buiten de cel uitgestort kunnen worden, bv melk wordt vrijgemaakt
uit de cellen die melk maken in de uier. |
F
|
Fibrillen
of
plasmadraden |
draden
die samentrekken of ontspannen bv spieren. |
G
|
Ganglioncel |
hulpcel
van de zenuw. |
|
Glij
& trekdraden |
2
soorten draden vanuit de centriolen naar het equatoriale vlak. |
|
Golgi
apparaat |
afvoersysteem,
zorgt voor afvoer van de afvalstoffen bij verbrandingsproces van de
mitrochodriën. Opslag voor vacuolen (holtes). Afvoer voor slijm
producerende cellen bv neusslijmvlies en maagslijmvlies. Hierin
ontstaan ook de lysosomen. |
H
|
Haploïd
|
alleen
staande cel aangeduid met N
Diploïd
= chromosomenpaar aangeduid met 2N. |
I
|
Intercellulaire
vocht |
celtussenstof
brengt voedingsstoffen en zuurstof naar de botcellen. Bestaat uit
eiwitten (callogeen en elastine) en mineralen (calsium en fosfor)
belangrijk bij weefselvorming. |
|
Ionen |
opgeloste
zouten bv magnesium, chloor, kalium, calcium. |
K
|
Katabolisme |
celstofwisseling en
verbranding. Metabolisme = stofwisseling in cytoplasma. |
|
Kernmembraan |
celwand
om de celkern.(dubbelwandig). |
|
Kernplasma |
vloeistof
zit in de celkern, hierin bevinden zich de chromosomen, chromatine
korrels, en kernlichaam. |
L
|
Lichaampje
van
Barr |
Alleen
bij vrouwen voorkomende vergrote chromatinekorrel de zogenaamde
sexchromatine.
Aan
cellen uit speeksel van sportvrouwen kan men zien of hormonen
gebruikt zijn. |
|
Lysosomen |
(vacuolen)
Deze ligt in cytoplasma en leveren diverse verteringsstoffen voor de
mitochrondiën. Bevatten enzymen. |
M
|
Meiose
of
reductie
deling |
indirecte
celdeling of verminderen en terugbrengen tot de helft. Er wordt niet
gedeeld maar verdeeld |
|
Membraan |
vlies. |
|
Metabolisme |
stofwisseling
in het cytoplasma. |
|
Mitochrondiën |
stofwisseling.
Zorgt voor bruikbare energie, en dat voedingsstoffen ( glucose,
eiwitten en vetzuren) met hulp van zuurstof ( via bloed) wordt
omgezet in bruikbare energie voor bv groei, temperatuur en actie. |
|
Mitose |
indirecte
celdeling. cellen vermeerden zich, na deze deling moet de andere
helft daarvan absoluut gelijk zijn. |
N
|
Neudrieten
en
dendrieten |
lange
of korte uitlopers van de zenuwcel. |
|
Neutrale
lijst |
cellen
die in het overgangsgebied zitten. |
|
Nucleïnezuren |
samenstelling
van purine en stikstofbasen.
Het
nucleïnezuur heeft het vermogen om zichzelf te reproduceren! |
|
Nucleolus |
kernlichaampje
van de chromatine korrel. |
|
Nucleus |
celkern.
Bepaald hoeveel, wanneer en waarvoor energie nodig is. Zit in
cytoplasma als een soort 2de cel. |
O
|
Orgaan |
bestaat
uit verschillende weefsels. Is een deel van het lichaam met een
bepaalde taak en functie. |
|
Orgaanstelsel |
meerdere
organen samen die een taak in het lichaam verrichten. |
|
Osmose |
Beweging
die water naar de plek stuurt met de hoogste zoutconcentratie.
(een
natuurlijk verschijnsel, kost geen energie). |
P
|
Plasmadraden
of
fibrillen |
draden
die samentrekken of ontspannen bv spieren. |
|
Protoplasma |
totale
celinhoud;.dus cytoplasma en celkern. |
R
|
Reductiedeling
of meiose |
indirecte
celverdeling of verminderen en terugbrengen tot de helft. Hierbij
wordt niet gedeeld maar verdeeld. |
|
Reproductie |
De
enkelvoudige chromatide maakt er precies dezelfde spiraal bij, zodat
elk chromosoom weer uit een dubbele spiraal bestaat.
Het
nucleïnezuur heeft dus het vermogen om zichzelf te reproduceren! |
|
Ribosomen |
opbouw
(specifiek) lichaamseigen eiwit. Zijn kleine bolletjes aan de
cytoplasmazijde.
|
|
R.N.A. |
ribose-nucliëd-acid.
De lezer van de eiwitten of boodschappen eiwit. Brengt eiwit
boodschappen lijstje van D,N.A. over op een nieuwe cel. |
S
|
Semi-permeable
wand |
water
mag passeren, andere stoffen worden tegengehouden. Watertransport is
afhankelijk van zoutconcentraties, want water gaat naar de plaats
met de grootste zoutconcentratie. |
|
Spierweefsel |
langgerekte
spiercellen met plasmadraden of fibrillen (draden die kunnen
samentrekken of ontspannen) deze liggen in de lengterichting van de
cel. Hierdoor ontstaat bij aanspannen, spieractiviteit. |
|
Steunweefsel |
stervormige
cel; heeft de taak het lichaam te steunen, zoals ook het;
·1
bindweefsel = is soepel
(calcium/fosforgehalte is laag) door vrij zachte celtussenstof,
en
stevige verbinding tussen diverse organen.
·2
Kraakbeen = weefselstructuur celtussenstof
is veerkrachtig en stevig (calcium/fosfor-
gehalte
is hoger).
·1
been = stervorm cellen die dicht bij
elkaar liggen. Celtussenstof is hard (calcium/fosfor-
gehalte
is hard). |
|
Stikstofbasen |
de
volgorde waarin de stikstofbasen gerangschikt zijn bepalen de
erfelijke eigenschap |
|
Structuureiwitten |
bouwstoffen
in cellenweefsel (luie) en functionele eiwitten; enzymen die het
lichaamseigen voor het grootste deel zelf bepalen (actieve) |
T
|
Tandemaille |
Valt
onder de weefsels, maar is eigenlijk geen weefsel omdat het een
afscheidingsproduct is van cellen, is dan ook keihard.
Calcium/fosfor/fluor gehalte van 90% |
|
Trek/glijdraden |
2
soorten draden vanuit de centriolen naar het equatoriale vlak. |
U
|
Uream |
amoniak
en zuurstof, wordt via de nieren naar buiten gewerkt |
V
|
Vetweefsel |
wordt
ondergebracht in steunweefsel, in celvorm echter wijkt de vetcel af
van de overige steunweefsels. Het zijn min of meer ronde cellen,
maar zijn vetopslag (vacuolen) binnen het celmembraan geeft hem toch
het recht op een apart plaatsje onder deze noemer. De hoeveelheid
kitstof bepaald de hardheid. |
W
|
Weefsel |
meerdere
groepen cellen (met celtussenstof) van gelijke vorm en functie. |
|
Weefselstructuur
|
verhouding
en concentraties van de celtussenstof, dit wordt samen met de
celvorm bepaald.
Steunweefsel stervormige cel; heeft de taak het lichaam te steunen, zoals ook
het;
·1
bindweefsel = is soepel
(calcium/fosforgehalte is laag) door vrij zachte celtussenstof,
en stevige verbinding tussen diverse organen.
·3
Kraakbeen = weefselstructuur celtussenstof
is veerkrachtig en stevig (calcium/fosfor
gehalte is hoger).
·4
been = stervorm cellen die dicht bij
elkaar liggen. Celtussenstof is hard (calcium /fosfor
gehalte is hard).
Vetweefsel
= wordt ondergebracht in steunweefsel, in celvorm echter wijkt de
vetcel af
van de overige steunweefsels. Het zijn min of meer ronde cellen,
maar zijn vetopslag
(vacuolen) binnen het celmembraan geeft hem toch het recht op een
apart plaatsje
onder deze noemer. De hoeveelheid kitstof bepaald de hardheid.
Zenuwweefsel
= de cellen hebben meerdere korte of langere uitlopers (dendrieten
of neudrieten)
om zenuwprikkels door te geven of op te vangen.
Epitheelweefsel
= een afdek/afwerk weefsel. Onder te verdelen in;
-----dekepitheel
= afdeklaag voor alle huid die in aanraking komt met de buitenlucht.
----
Zijn ronde cellen en hechten zich aan een vlies (basaalmembraan)
beschermen
----
op deze manier `t bindweefsel voor invloeden van buitenaf. Longen,
darmen en
----
bloedvaten zijn (van binnen) bekleed met dit weefsel.
Klierepitheel
= als de cellen van het dekepitheel in het onderliggende bindweefsel ingroeien
spreken we van kierepitheel. Het basaalmembraan blijft om de
kliercel liggen
en is van belang bij de secretie (het afgeven van (hormoon) stoffen
) die de klieren
maken.
Tandemaille
= eigenlijk geen weefsel omdat deze een afscheidingsproduct is van cellen,
is dan ook keihard. Calcium/fosfor/fluor gehalte van 90%
Bloed
= ook een weefselvorm met zijn vele cellen, maar deze worden niet
omgeven door
een vlies of membraan, en bovendien vloeibaar is. |
Z
|
Zenuwweefsel |
De
cellen hebben meerdere korte of langere uitlopers (dendrieten en
neudrieten) om zenuwprikkels door te geven of op te vangen. |
|
Zygote |
bevruchte
eicel. |
|
(C)
Ina-KK |
Tekst:
Roos Scheres |
|