SLOVENSKY CUVAC

 

De geschiedenis van de Cuvaç  ( wordt uit gesproken als Tjoevatsz ) loopt in het begin parallel met de geschiedenis van de andere witte Berghonden zoals; de Hongaarse Kuvasz en de Poolse Tatra. Ook met de Italiaanse Berghond van de Maremmen en de Turkse Akbash heeft hij een stukje historie gemeen.

De Phoeniciers, de Romeinen en de Magyaren schijnen allemaal een vinger in de pap gehad te hebben bij het ontstaan en de verspreiding van de hoed-, waak- en verdedigingshonden in Europa. De Turkse Kumanen -die in de 13de eeuw naar de Hongaarse hoogvlaktes kwamen-  brachten hun eigen honden mee, zodat aangenomen mag worden dat er nog redelijk wat Turks bloed door de aderen van al deze witte werkhonden vloeit.

 

Zoals de Tatra het Tatra-gebergte als werkgebied heeft, zo beschouwt de Slowaakse Herder de hoogvlakten en bergketens van de Karpaten als zijn thuis.

Door steeds maar weer te selecteren op werkkwaliteiten, kreeg bijna iedere streek zijn eigen type hoeder en verdediger. Uiteindelijk resulteerde dat in een eigen erkend ras, voorafgegaan door een streek- of landaanduiding.

Dat al deze witte Berghonden nog steeds heel sterk op elkaar lijken komt door de voorwaarden die werden gesteld aan bouw, karakter, vacht, kracht en uithoudingsvermogen van de hond.

 

De verdedigingshonden moesten groot en wendbaar zijn. De kleinere honden uit een nest konden eventueel worden gebruikt als hoeders, maar voor het echte verdedigingswerk werden ze uitgesloten.

Al snel bleek dat het werken met honden met een witte of lichtgekleurde vacht duidelijk te verkiezen was boven een gekleurde vacht, vooral als je in het donker de wolf van de hond moest onderscheiden.

 

De selectie op maat is in de standaard van de Cuvaç vastgelegd op 62/70 cm. voor reuen met een gewicht van 36/44 kg. Voor teven is de hoogte 59/65 cm. gewenst met een gewicht tussen 31/37 kg, waarbij de massa nooit een belemmering mag zijn voor snelheid en wendbaarheid. 

Het lichaam van een Cuvaç moet vrij en soepel kunnen bewegen en hij moet in een goede conditie zijn. Het gangwerk moet absoluut lichtvoetig en snel zijn, omdat hij op allerlei soorten terrein "goed uit de voeten moet kunnen".

Alle Berghonden moesten in staat zijn om een vijand te verjagen, aan te vallen of uit te schakelen. Om een gevecht aan te durven gaan met een wolf, lynx of tweebenige rover is naast een krachtig gebit en een sterk en lenig lichaam vooral een enorme portie moed en zelfvertrouwen nodig.

Niet alleen het "van nature ingegeven vluchtgedrag" moet overwonnen worden, het moet ook nog omgezet worden in de aanval en daar is karakter voor nodig. En karakter heeft de Cuvaç, hij is moedig, waakzaam en intelligent en rekent zonder aarzelen af met alles wat "kwade bedoelingen heeft".

 

De selectie op kleur maakt dat ook nu nog bijna alle Berghonden wit zijn, waarbij de aanwezigheid en toelaatbaarheid van "licht gekleurde vlekken" per ras varieert. Voor de Cuvaç wenst men een dikke, dubbele, witte vacht zonder gele vlekken. Behalve op het hoofd en de benen is de vacht zeer overvloedig. De 5 tot 15 cm lange dekharen golven luchtig over de kortere, dichte onderwol. Buik, flanken en geslachtsdelen zijn extra behaard en de reuen hebben bovendien een halskraag meegekregen.

Die enorme hoeveelheid dicht haar is zeker geen overbodige luxe als we kijken naar het sterk wisselende klimaat van het Karpatengebergte.

 

Dat het karakter van een Cuvaç afstandelijk moet zijn is duidelijk, want een waakhond die iedere vreemde gewoon toelaat of zelfs gaat begroeten is de titel waakhond onwaardig.

De goede neus van de Cuvaç is een prima hulp om het vertrouwde van het "vreemde" in de omgeving te onderscheiden.

Eigen mensen, kinderen en overige vierpotige roedelgenoten die hij van het begin af aan kent, worden allen zonder problemen in het "bewaakschema" opgenomen, maar onbekenden worden zeer argwanend bekeken en met een dreigende houding op een afstand gehouden. Een Cuvaç mag echter nooit "zomaar" tot de aanval overgaan, agressiviteit is in dit ras een diskwalificerende fout.

De Cuvaç ligt bij voorkeur dag en nacht buiten. Hij overziet zijn terrein graag vanaf een strategische, dus overzichtelijke plaats, maar maakt ook graag wat tijd vrij om iets te ondernemen.

Hij zit vol initiatief, is levendig en aanhankelijk.

Hij speelt en werkt graag met zijn baas die hij "zo trouw als een hondje adoreert", maar dat betekent niet dat hij zijn zelfstandigheid heeft verloren. Een Cuvaç zal niet zonder meer uitvoeren wat wij mensen van hem vragen. Hij weet wat hij wil en zal daar dan ook naar willen handelen.

Met geduld en een consequente opvoeding moet de baas deze vaak wat eigenzinnige karaktertrekjes in goede banen leiden. Hoe mooi de Cuvaç ook is met zijn forse, imposante, krachtige bouw en zijn indrukwekkende volle, witte vacht, het is het karakter waar we dagelijks mee moeten leven en dat moet passen in onze maatschappij.

Voor een hond van dit formaat moeten we bovendien ook de ruimte hebben. Op een flatje is hij niet alleen een "onhandig tapijtje", hij kan er ook zijn energie en werklust niet kwijt en zal al gauw tekenen van "flatneurose" vertonen als de baas geen kans ziet er de nodige uren met hem op uit te trekken.

We moeten ook incalculeren dat zijn mooie, witte vacht sporen zal achterlaten op vloerbedekking en kleding. Regelmatig borstelen helpt, al zal dat niet kunnen voorkomen dat hij wat haren verliest. Kunnen we dit op de koop toenemen, dan zal begrip voor "de aard van het beestje" en een dosis geduld voor het eigenzinnige karakter, de juiste basis vormen voor een jarenlange Cuvaçvriendschap.

 

 (C) In@ Peters-Boltjes.                                                                                                                     

naar boven