|

|
Rasgroep 1. Herdershonden en veedrijvers. Land van oorsprong:
Zwitserland
FCI Nr. 347 / 18-12-2002
 |
 |

|
Gebruiksdoel:
Familie- en gebruikshond met uitgesproken liefde voor
kinderen, een oplettende waker, een opgewekte en gemakkelijk
lerende werkhond.
Algemene verschijning: Een
krachtige, goed bespierde middelgrote stok- of langstokharige
herdershond met staande oren, van rechthoekig formaat,
middelzwaar beendergestel en een elegant en harmonieus silhouet.
|
Belangrijke
verhouding/formaat: Middellang rechthoekig formaat. De verhouding
van de lichaamslengte (gemeten vanaf het borstbeen tot het zitbeen) en
de schofthoogte bedraagt 12 : 10. De afstand van de stop tot aan
de neusspiegel overtreft die van de stop tot aan de achterhoofdsknobbel
in geringe mate.
Gedrag en karakter: Temperamentvol zonder nervositeit, opmerkzaam
en waakzaam, soms enigszins gereserveerd tegenover vreemden, echter
nooit angstig of agressief.
Exterieur
Hoofd: Krachtig, droog en slank besneden, in goede verhouding tot
het lichaam staand. Van boven en opzij gezien wigvormig.
Bovenbelijning van schedel en snuit lopen evenwijdig.
Schedel: Flauw gewelfd, met nauwelijks aanwezige middengroef.
Stop: Zacht verlopend, doch duidelijk zichtbaar.
Neusspiegel: middelgroot. Zwart gewenst, een lichtere neus en/of
een wisselneus is toegestaan.
Snuit: Krachtig en middellang in verhouding tot de schedel.
Neusrug en onderkaakbelijning zijn recht, naar de neus toe licht
samenlopend.
Lippen: Strak, goed gesloten, bij voorkeur zo zwart mogelijk.
Gebit: Krachtig en volledig schaargebit, waarbij de tanden
loodrecht in de kaak moeten staan.
Ogen: Middelgroot, amandelvormig, licht schuin geplaatst. De
kleur is donkerbruin tot zwart, goed aanliggende oogranden bij voorkeur
zwart.
Oren: Hoog aangezette, goed rechtop gedragen evenwijdig en goed
naar vorengerichte grote staande oren in de vorm van een langgerekte van
boven licht afgeronde driehoek
Hals: Middellang en goed gespierd, harmonieus verlopend in het
lichaam, zonder keelhuid; de elegante neklijn verloopt zonder
onderbreking vanaf het matig hoog gedragen hoofd tot de schoft.
Lichaam: Krachtig, goed bespierd, middellang.
Schoft: Benadrukt.
Rug: Horizontaal, vast.
Lendenen: Sterk bespierd.
Kruis: Lang en van gemiddelde breedte, vanaf de aanzet helt hij
geleidelijk naar de staartwortel.
Borst: Niet te breed, diep tot aan de ellebogen reikend, hij
beslaat ongeveer de halve schofthoogte. Ovale en ver naar achter
reikende borstkas. Duidelijke voorborst.
Buik en flanken: Slanke, stevige flanken. De buiklijn verloopt
licht naar boven.
Staart: Rondom vol behaarde sabelstaart die naar de punt toe
smaller wordt. Nogal laag aangezet en tenminste reikend tot aan het
spronggewricht, in rust hangend of het onderste eenderde deel licht
opgebogen, als de hond alert is wordt hij hoger gedragen, maar nooit
hoger dan de ruglijn.
Ledematen: Krachtig, pezig, middelzwaar
Voorhand: In front gezien recht en matig breed, van opzij gezien
goed gehoekt.
Schouder: Lang en goed schuin gesteld schouderblad, goede
hoeking, de gehele schouderpartij goed gespierd.
Opperarm: Voldoende lang, sterk bespierd.
Ellebogen: Goed aangesloten.
Onderarm: lang, recht en droog.
Middenvoorvoet: Stevig en licht schuin gesteld.
Achterhand: Van achter gezien recht en evenwijdig, niet te breed
staand, van opzij gezien goed gehoekt.
Dijbeen: Middellang met sterke bespiering.
Onderbeen: Middellang, schuin gesteld met stevige botten en goed
bespierd.
Spronggewicht: Krachtig, goed gehoekt.
Middenachtervoet: Middellang, recht en pezig. Wolfsklauwtjes
moeten verwijderd (met uitzondering in die landen waar verwijdering van
de wolfsklauwtjes verboden is).
Voeten: Ovaal, achter iets langer dan voor, tenen dicht sluitend
en goed gewelfd. Stevige, zwarte voetzolen; donkere nagels gewenst
Gangwerk: Regelmatige gangen, vrij en volhardend: lange passen en
krachtige stuwing; tijdens de draf is de beweging uitgrijpend en vlot.
Huid: Zonder rimpelvorming en donker gepigmenteerd.
Vacht: Middellang, dicht, goed aanliggend stok- of langstokhaar,
overvloedige ondervacht, dichte rechte dekvacht, recht stekelhaar.
Snuit, gezicht, oren en voorzijde van de benen zijn wat korter behaard,
nek en achterzijde van de benen zijn iets langer behaard. Licht golvend
maar hard haar is toegestaan.
Kleur: Wit.
Maat en gewicht:
Reuen: 60-66 cm - ca.30-40 kg.
Teven: 55-61 cm - ca. 25-35 kg.
Rastypische honden mogen wegens een lichte onder- of bovenmaat niet
worden gediskwalificeerd
Fouten: Elke afwijking van voorgenoemde punten is als fout te
beschouwen waarvan waardering in verhouding staat tot de mate van
afwijking.
Lichte fouten: · Lichte wildkleur (zwakke gelige of bruinrode
gloed) aan oorpunten, rug of op de staart.
· Vlekkerig pigmentverlies op de neus, lipranden en/of oogranden.
Zware fouten:
· Plompe verschijning, vierkant gebouwd (te kort).
· Onvoldoende geslachtskenmerken bij reuen en teven.
· Het ontbreken van meerdere gebitselementen dan ten hoogste twee P1.
(De M3 wordt buiten beschouwing gelaten)
· Hangoren, tiporen, knoporen.
· Sterk aflopende ruglijn.
· Ringstaart, knikstaart, haakstaart, op de rug gedragen staart.
· Zacht dekhaar, zijdeachtig, wollig, gekruld, niet goed tegen het
lichaam aanliggend haar; uitgesproken langhaar zonder ondervacht.
· duidelijke wildkleur (geelachtige of bruinrode gloed) aan oorpunten,
rug en bovenzijde staart.
Diskwalificerende fouten:
· Angstige honden, agressieve honden.
· Eén of beide ogen blauw, uitpuilende ogen.
· Entropion, ectropion, uitpuilend oog.
· Ondervoorbeet, bovenvoorbeet, scheefstaande snijtanden.
· Volledig pigmentverlies van de neusspiegel, lipranden en/of oogranden.
· Volledig pigmentverlies van de huid en voetzolen.
· Albinisme.
Nederlandse vertaling vanuit de originele Franse versie: Ruut Tilstra,
Jan de Gids |